Interview met strafrechtadvocaat Sidney Smeets

‘Het Nederlandse rechtssysteem is niet soft. Onze straffen liggen juist relatief hoog’ 

In onze serie interviews met interessante en bijzondere mensen is het vandaag de beurt aan Sidney Smeets. Na de studie Rechten in Leiden werd hij in 2001 beëdigd als advocaat. Hij specialiseerde zich in het commune strafrecht, bijstand van minderjarige verdachten en cassatie. Naast advocaat is hij historicus: hij voltooide in 2012 de studie Geschiedenis in Utrecht. Sinds 2009 is hij werkzaam als advocaat bij Spong Advocaten in Amsterdam, waar hij zich in het bijzonder bezighoudt met zware criminaliteit en complexe zedenzaken. Hij verdedigde een verdachte in de Grensrechterzaak en zorgde ervoor dat zijn cliënt in de Lokpuberzaak buiten vervolging werd gesteld. Hij verleende tevens als enige Nederlandse raadsman rechtsbijstand in de Belgische Kasteelmoordzaak. 

Zware criminaliteit en complexe zedenzaken zijn echter niet het enige waarmee Smeets zich bezighoudt: hij staat ook geregeld coffeeshophouders en henneptelers bij wanneer zij in de problemen zijn gekomen met het gedoogbeleid. Een bekende cliënt van Smeets is coffeeshophouder Johan van Laarhoven, die onlangs vanuit detentie in Thailand teruggekeerd is naar Nederland. Smeets verleent tevens bijstand aan slachtoffers van anti-lhbti geweld. Voorbeelden daarvan zijn de zaken over mishandeling op de Dam en een geschil tussen ZARA en transgendervrouwen. 

Smeets heeft twee boeken geschreven. In samenwerking met Gerard Spong en Tim Vis schreef hij De hypocrisie van de achterdeur: waarom het Nederlandse softdrugbeleid onhoudbaar is (2012) over het hypocriete vervolgingsbeleid in het kader van softdrugaanvoer. Een jaar later schreef hij De wanhoopsdaad: hoe een zeventienjarige jongen de Kristallnacht ontketende (2013) over het lot van Herschel Grynszpan, ter gelegenheid van de 75-jarige herdenking van de Kristallnacht. Daarnaast schrijft hij regelmatig opiniërende stukken over juridische onderwerpen voor landelijke dagbladen en online media en verzorgt hij lezingen en cursussen. Tot slot verschijnt hij geregeld als deskundige in de media en is hij met enige regelmaat te horen op Radio 1 om zijn mening te geven over strafrechtelijke onderwerpen. Wij spraken hem over corona, de lhbti-gemeenschap, rechterlijke dwalingen en het tweefasenproces. 

Kunt u iets over uzelf vertellen? 

“Ik ben bijna twintig jaar advocaat. Ik heb me altijd bezig gehouden met strafrecht, daar ben ik in gespecialiseerd. De eerste periode heb ik uitsluitend bijstand verleend aan verdachten in strafzaken, maar de laatste jaren verleen ik ook bijstand aan de slachtoffers. Ik specialiseer me binnen het strafrecht in de opiumwet, met name alles omtrent softdrugs en coffeeshops. Daarnaast houd ik me veel bezig met zedenzaken. Dat kan gaan om mensen die kinderpornografie in bezit hebben of die verdacht worden van grooming, dat soort strafbare feiten. Wat ook regelmatig voorkomt, is mensenhandel. Verder doen we [Spong Advocaten] eigenlijk alle soorten strafzaken, dus er kan van alles voorbijkomen.”

Dus eigenlijk bent u wel een duizendpoot in de advocatuur? 

“Binnen de strafrechtadvocatuur wel ja. Ik doe echter niks anders dan strafrecht. Fiscaal strafrecht doe ik bovendien liever niet. Dat laat ik aan de experts op dat gebied over.” 

Interessant. Heeft uw praktijk veel last van de coronamaatregelen? 

“Ja, op zich wel. In principe proberen we zoveel mogelijk thuis te werken. Dat kan niet altijd, want we hebben ook dingen op kantoor die we moeten doen en soms moeten cliënten langskomen. Het bezoeken van cliënten is ook lastiger: er zijn meer maatregelen in de huizen van bewaring en los daarvan is het niet prettig om daar te komen. Dat is het eigenlijk nooit, maar zeker niet in deze omstandigheden. Politieverhoren zijn veel moeilijker, want ook daar moet natuurlijk voldoende afstand kunnen worden bewaard. Zittingen zijn een hele tijd heel beperkt geweest. Dat begint nu allemaal weer redelijk op gang te komen, maar er zijn wel behoorlijk wat beperkingen geweest. Omdat er een periode was waarin er eigenlijk helemaal geen zittingen plaatsvonden – alles werd uitgesteld – is het nu bovendien heel druk aan het worden.” 

Is de situatie van gedetineerden ook verslechterd tijdens de coronacrisis? U zei net dat het sowieso niet fijn is om in een huis van bewaring te zitten, maar is hun situatie er nog weer op achteruitgegaan? 

“Ja, het is inderdaad nooit leuk om daar te zitten, dat is per definitie zo. Door de coronamaatregelen is die situatie inderdaad heel erg verslechterd. Dat heeft te maken met een aantal dingen. Het eerste is dat het bezoek eigenlijk beperkt is tot vrijwel nul. Advocaten mogen wel langskomen, maar familie juist niet meer. Je bent al opgesloten ergens ver bij je familie vandaan, je kunt je familie en vrienden al niet zien op de momenten waarop je dat normaal misschien zou willen. Dat wordt door de coronamaatregelen nog verder beperkt. Alleen al om die reden is het vastzitten zwaarder. 

Daarnaast is het regime in de huizen van bewaring versoberd. Waar je normaal bijvoorbeeld veel tijd buiten je cel mocht doorbrengen of mocht recreëren met anderen, is dat allemaal veel beperkter geworden omdat ze die contacten willen verminderen en ervoor willen zorgen dat er geen besmettingen plaatsvinden. Vastzitten in coronatijd is dus aanzienlijk zwaarder dan vastzitten ‘normaal gesproken’. Helaas is daar bij de rechterlijke macht, als het gaat om de uiteindelijke straf die dan wordt opgelegd, heel weinig begrip voor. Je ziet eigenlijk nauwelijks dat rechters zeggen ‘nou ja, omdat je nu al bijna zes maanden met die maatregelen te maken hebt, heb je eigenlijk veel zwaarder vastgezeten dan een ander waardoor we minder straf gaan opleggen’. Dat gebeurt eigenlijk niet.” 

Met de omstandigheden wordt dus eigenlijk onvoldoende rekening gehouden? “Dat vind ik wel, ja.” 

Wat zou u graag anders willen zien aan de coronamaatregelen? 

“Dat is moeilijk te zeggen. Ik ben geen viroloog of arts, dus ik houd me maar gewoon aan hetgeen er opgelegd wordt. Het is alleen wel zo dat wij als advocaten ons verbaasd hebben over de moeite waarmee bepaalde dingen in de rechtszaal worden ingevoerd en hoe langzaam het allemaal gaat. Als

je bijvoorbeeld kijk hoe lang het heeft geduurd voor er schermen werden geplaatst tussen de advocaat en de verdachte of hoe moeilijk het nog steeds is om bij de politie een fatsoenlijke verhoorkamer te krijgen waarbij er rekening wordt gehouden met de coronamaatregelenOf als je kijkt naar hoe rechtbanken nu omgaan met de aanwezigheid van verdachten: dat is nog steeds vaak via videoverbindingen, terwijl heel veel verdachten dat niet willen. Ze willen gewoon fysiek aanwezig zijn. 

Ik vind dat het ondertussen – we zijn al bijna negen maanden verder – al wel geregeld had kunnen zijn. Een aantal dingen gaan eigenlijk veel te langzaam en er blijkt veel te weinig aandacht te zijn voor de verdachten en de advocaten. Voor de eigen medewerkers van de rechtbank, hoewel dat ook lang heeft geduurd, is het inmiddels wel redelijk geregeld. Voor de mensen die er toch ook moeten zijn voor hun werk, bijvoorbeeld advocaten, of mensen die er als verdachte moeten zijn, duurt het wat mij betreft heel erg lang voordat het allemaal goed geregeld is.” 

Ik maak even een sprong. Zelf ben ik op dit moment bezig met het bekijken van de documentaire over Van Laarhoven. Ik heb nog niet alles gezien, omdat een aantal afleveringen nog moeten worden uitgezonden. Hoe gaat het met die zaak? 

“Die zaak ligt eigenlijk al vanaf het moment dat er een aanhouding plaatsvond in Thailand, in 2014, zo goed als stil in Nederland. Daar hebben wij ook altijd onze verbazing over uitgesproken. Los van het feit dat hij in Thailand werd aangehouden – want dat is een rechtstreeks gevolg van de manier waarop Nederland daarmee om is gegaan – hebben wij altijd gezegd: als je als OM al vindt dat dat de goede manier is om het te doen, waarom zorg je er dan niet voor dat hij zo snel mogelijk naar Nederland komt? Dan kunnen we in Nederland aan de slag met die strafzaak. Uiteindelijk ligt het belang van het Nederlandse OM natuurlijk bij Nederlandse strafzaken, niet bij wat er in Thailand gebeurt. 

Het heeft ons altijd verbaasd dat we nu ruim zes jaar verder zijn en het OM nog steeds niet in staat is gebleken om die Nederlandse strafzaak op poten te zetten. De bedoeling is dat we begin volgend jaar weer een start gaan maken, maar er moet nog wel veel gebeuren. Het zal dus nog wel even duren voor die zaak inhoudelijk wordt behandeld. Het is natuurlijk vrij bizar dat Nederland er op deze wijze zelf voor gezorgd heeft dat zo’n zaak pas zes jaar na de aanhouding in Thailand – en bijna tien jaar na de feiten zelf – in Nederland voor het eerst bij de rechter terechtkomt.” 

Er waren ook geluiden dat er een claim zou komen richting de Nederlandse staat. Zijn daar nog plannen voor? 

“Ja, er lopen verschillende procedures, waaronder een civiele procedure. Dat wil zeggen dat wij vanaf het eerste moment hebben gezegd dat het handelen van de staat onrechtmatig is geweest. Daar hebben we verschillende procedures over gevoerd en de rechter in Nederland heeft toen, toen wij dat probeerden via een kort geding, gezegd dat hij heel weinig informatie had en dat hij op basis van die informatie niet kon zeggen dat het onrechtmatig was. Daarna zijn we begonnen met het verhoren van civiele getuigen en uiteindelijk is er een rapport gekomen. Die civiele bodemprocedure loopt nog steeds. Het duurt net als de strafzaak heel erg lang. Bij een civiele zaak is het echter iets logischer dat het allemaal langer duurt. In die procedure is ons standpunt nog steeds dat de staat

onrechtmatig heeft gehandeld en dat er als gevolg daarvan schade is ontstaan die moet worden vergoed. In de strafzaak, als die uiteindelijk tot een einde komt, en als daar bijvoorbeeld een vrijspraak uit volgt, is er op dat moment ook nog reden voor een aparte claim. Dat loopt dus allemaal, maar ook daarvoor geldt dat het nog wel even duurt voor het zover is.” 

Dan wil ik wederom een kleine sprong maken qua onderwerp. U twittert geregeld over de lhbti-rechten in Nederland. Hoe kijkt u tegen de situatie en de rechten van die gemeenschap in Nederland aan? 

“Ik maak me daar zorgen over. Ik heb er een boek over geschreven, dat volgend jaar maart uitkomt. Dat is ter gelegenheid van het moment, 1 april 2021, waarop de openstelling van het burgerlijk huwelijk voor lhbti twintig jaar geleden is. Het boek heet Porseleinen Huwelijk en gaat over de geschiedenis van lhbti-rechten in Nederland en hoe het er nu mee staat. Waar we in Nederland twintig jaar geleden met de openstelling van het huwelijk een redelijke koppositie hadden als het gaat om die rechten – we waren het eerste land dat dat huwelijk open heeft gesteld -, zijn we de laatste jaren eigenlijk wat afgegleden. Er is een rainbow tool, bijgehouden door ILGA (European Region of the International Lesbian, Gay, Bisexual, Trans and Intersex Association), die aangeeft hoe landen scoren wat betreft lhbti-rechten. Nederland staat al twee jaar niet in de top tien van die index. Ik vind dat we ons daar voor moeten schamen als land, dat we daar niet in staan. 

Als je kijkt naar transgenders, dan zie je dat daar heel veel nog niet goed geregeld is. Wettelijk worden transgenders op dit moment gezien als mensen die ziek zijn, die een arts nodig hebben om de rechter ervan te overtuigen dat ze daadwerkelijk iets mogen veranderen aan het geslacht waarmee ze ingeschreven staan in het geboorteregister. Dat moet anders, die mensen zijn niet ziek. Ze kunnen zelf prima zelf bepalen welk geslacht ze hebben. 

Lhbti-discriminatie en geweld tegen lhbti-mensen is ook iets wat veel voorkomt in Nederland en waar niet goed tegen wordt opgetreden. Het OM en de politie hebben er weinig aandacht voor. Het is zorgelijk dat een organisatie als Roze in Blauw, die er eigenlijk is om de lhbti-gemeenschap beter te woord te kunnen staan vanuit de politie, amper subsidie krijgt. Die subsidie dreigt zelfs te verdwijnen. Wat je dan ziet gebeuren, is dat er heel weinig aandacht is voor het discriminatieaspect van delicten. Op het moment dat iemand uit de lhbti-gemeenschap in elkaar geslagen wordt en uitgescholden wordt voor homo, wil men het in elkaar slaan wel oplossen en iemand daar ook wel voor vervolgen. Dat er gescholden is met homo, vindt men moeilijk te bestempelen als discriminatie. Als het door de politie of het OM niet wordt gezien en opgepakt, doet de rechter daar ook niks mee. 

Dat zie je ook in zaken die gaan over discriminatoir geweld in Nederland: er zijn eigenlijk veel te weinig zaken waarin daadwerkelijk een veroordeling volgt waarin dat discriminatoire aspect wordt meegenomen. Waar een hogere straf wordt opgelegd onder verwijzing naar een discriminatoir feit. Dat is iets wat op Europees gebied gerechtelijk wel verplicht is om te doen, want het discriminatoire aspect heeft een grote impact op het slachtoffer. Als iemand in elkaar geslagen wordt omdat hij bij de lhbti-gemeenschap hoort, heeft dat een grotere impact dan wanneer hij in elkaar geslagen wordt omdat hij een bril draagt (bij wijze van spreken). Het is allebei erg, maar in het ene geval is de impact daarvan en de uitstraling naar de gemeenschap veel groter. Daar gebeurt in Nederland eigenlijk veel

te weinig mee. Het is iedere keer een groot gevecht om het OM en de rechter zo ver te krijgen dat aspect mee te nemen. Daar moet dus echt veel gebeuren.” 

Hoe kijkt u aan tegen het spreekrecht van slachtoffers tijdens strafzaken? 

“Ik vind daar twee dingen van. Op het moment dat ik slachtoffers bijsta, maak ik optimaal gebruik van de rechten die die slachtoffers hebben. Dan zal ik ook in het spreekrecht heel ver gaan. Ik ben dan eigenlijk een soort Nebenkläger, een soort mede-officier van justitie. Ik vind ook dat je dat moet doen, omdat het op dit moment binnen de grenzen van de wet mogelijk is om dat te doen. 

Tegelijkertijd zou ik het beter vinden als de positie van het slachtoffer en diens schade en spreekrecht op een ander moment in het strafproces aan de orde zouden komen dan nu gebeurt. Nu gebeurt het in de strafzaak, maar in die strafzaak moet de rechter eerst nog bepalen of de verdachte überhaupt schuldig is. Nu krijg je dus, in die rare wetgeving van Sander Dekker, dat mensen als verdachte daar zitten – nog niet schuldig bevonden dus – maar ondertussen allerlei verplichtingen krijgen om te luisteren naar wat de slachtoffers te zeggen hebben. Terwijl ze misschien wel worden vrijgesproken en helemaal niet schuldig zijn. Dat wringt wat mij betreft enorm op rechtsstatelijk vlak: dat iemand daar als een soort tweede officier van justitie van alles staat te vertellen terwijl die persoon nog helemaal niet veroordeeld is. 

Ik zou een groot voorstander zijn van het idee dat we daar een tweefasenproces van maken. Dat gebeurt in sommige landen al: de VS is daar een voorbeeld van. Maar goed, dat hele systeem daar is behoorlijk anders. Bij een tweefasenproces komt het er dus op neer dat je eerst gaat bepalen wie er schuldig en onschuldig is en dat je daarna als slachtoffer helemaal los mag gaan en alles mag zeggen wat je wil zeggen. Dan gaat de rechter daar ook daadwerkelijk rekening mee houden. Dat is nu natuurlijk ook weer iets: de rechter mag helemaal geen rekening houden met wat het slachtoffer zegt, maar ondertussen hoort hij het wel.” 

Wat zou u graag anders willen in het Nederlandse rechtssysteem? Naast wat u net heeft verteld over het tweefasenproces? 

“Ja voor de slachtofferrechten denk ik dus dat een tweefasenproces heel goed zou zijn. Als je het hebt over het strafproces in het algemeen, dan denk ik dat we in Nederland toe zouden moeten naar een situatie waarbij het in de allereerste fase veel minder draait om de verklaring of de bekentenis van de verdachte. Dat het veel minder noodzakelijk is om iemand op te pakken en vast te zetten omdat je hem per se wilt verhoren en omdat je iets van hem op papier wilt krijgen. Ik denk dat het belangrijk is dat je zorgt dat ze zaak zonder die verklaring van de verdachte zo rond mogelijk is. Als de verdachte dan iets wil verklaren, is dat een mooie toevoeging. Nu is het eerder omgekeerd en wordt iemand aangehouden en op het politiebureau vastgezet, waarbij hij er ook moet blijven slapen, met het doel dat hij uiteindelijk een verklaring gaat afleggen en dat dat de politie dan voldoende bewijs oplevert. Dat druist natuurlijk wel in tegen het idee dat iemand helemaal niet verplicht is om mee te werken aan zijn eigen veroordeling. 

Minder focus op de verklaring en het vastzetten van de verdachte dus. Het vastzetten van de verdachte gaat door de tweede fase, voorlopige hechtenis. In Nederland wordt dat veel te vaak toegepast, dat iemand vastzit in afwachting van z’n berechting. Terwijl het uitgangspunt vanuit de

onschuldpresumptie hoort te zijn dat iemand zijn berechting in vrijheid kan afwachten. Dat gebeurt ook in heel veel andere landen al, waaronder in de VS. Dat is een heel extreem voorbeeld: daar mogen mensen bij wijze van spreken zelfs als ze van moord verdacht worden hun berechting in vrijheid afwachten. In Nederland gebeurt dat veel te weinig en zitten mensen veel te lang vast. Het gebeurt dan ook veel te vaak dat er bijvoorbeeld vrijspraak volgt terwijl iemand al zes maanden vastzit. Of dat er weliswaar een veroordeling volgt, maar dat de straf gelijk wordt gemaakt aan de tijd die iemand toch al heeft vastgezeten. Terwijl een lagere straf misschien veel passender zou zijn geweest. Nederland heeft echt veel meer gevallen van voorlopige hechtenis dan de rest van de landen in Europa. Dat zou een stuk minder mogen. 

Verder denk ik dat het goed zou zijn als het OM makkelijker en sneller over de brug komt met informatie voor advocaten. Dat begint al bij de aanhouding van de verdachte: dan heb je recht op een dossier, maar dat krijg je nooit. Ook later: het is vaak heel moeilijk om te communiceren met het OM, het duurt vaak heel lang voor je vragen worden beantwoord. Dat zou veel makkelijker moeten. Ze hebben vaak ons mobiele nummer al en kunnen ons dus vierentwintig uur per dag bellen. Het zou wat mij betreft heel logisch zijn als advocaten de nummers van officieren ook krijgen. Die communicatie kan ook veel beter.” 

Hoe denkt u over rechterlijke dwalingen? Heeft u weleens een zaak meegemaakt waarbij u wist dat iemand anders het had gedaan, maar waarbij uw cliënt toch werd veroordeeld? 

“Ik heb gelukkig nog nooit meegemaakt dat een cliënt van mij werd veroordeeld terwijl al vaststond of later vast kwam te staan dat een ander de dader was. Wat ik wel heb meegemaakt, is een zaak waarin ik echt vind dat de veroordeling onterecht was omdat de weging van wat er was gebeurd mijns inziens gekleurd is door publieke opinie en enige vorm van racisme. Dat is de Grensrechterzaak. Daar ging het om een ruzie op het voetbalveld, waarbij twee partijen met elkaar aan het vechten waren. De grensrechter kreeg een paar klappen en is vervolgens naar huis gegaan. Later is hij teruggekomen, ingestort en overleden. De vraag die je daarbij moet stellen, is of je de verdachte dan daadwerkelijk zou moeten veroordelen voor doodslag. Ik vind dat juridisch niet juist, maar dat is wel gebeurd. 

Een andere zaak is de Kasteelmoordzaak. Ik vind dat mijn cliënt ten onrechte veroordeeld is tot een straf die past bij een moord. Hij heeft geen moord gepleegd, hij is er helemaal niet bij geweest, heeft er niks mee te maken gehad. Het enige wat je zou kunnen zeggen – maar ook daar is een hoop op af te dingen -, is dat hij mensen met elkaar in contact heeft gebracht waar uiteindelijk een moord uit voort is gekomen. In zo’n situatie vind ik echt dat het te ver gaat om zie iemand als een onvolwaardige moordenaar te bestraffen. Dat is wel gebeurd, de straf is heel hoog (27 jaar). Ik denk dat hij de partijen niet eens met elkaar in contact heeft gebracht, dat heb ik ook uitvoerig besproken in de rechtbank. Als je dat wel vindt, als je dat aanneemt, kun je zeggen dat de straf rechtvaardig is. Dat vind ik echter niet. Ik vind het echt buitenproportioneel. De zaak van Van Laarhoven is ook zo’n geval, maar dat ligt voor de hand natuurlijk.”

Precies. Hoe kijkt u aan tegen Nederlandse misdaadjournalistiek? 

“Heel wisselend. Er zijn een paar hele goede Nederlandse misdaadjournalisten, met wie ik ook graag samenwerk en van wie ik de stukken graag lees. Er is echter ook een groot aantal misdaadjournalisten op wie het etiket ‘journalist’ niet echt van toepassing is. Die zijn vooral bezig met hun eigen politieke agenda. Het zal toeval zijn, maar dat is meestal een vrij rechtse agenda. Het zal ook wel toeval zijn dat een aantal daarvan werkzaam is bij de Telegraaf. Ik wil daar echter meteen bij zeggen dat de Telegraaf ook een aantal hele goede misdaad- en rechtbankverslaggevers heeft. “ 

Wie is uw favoriete journalist? Met wie werkt u graag samen? Mogen meerdere zijn hoor. 

“Samenwerken is altijd een moeilijk begrip bij journalisten. Met samenwerken bedoel ik dan meer dan ik ze te woord sta of ze iets vertel over een zaak. Wie ik heel goed vind als het gaat om rechtbankverslaggeving, is Saskia Belleman. Die heeft veel verstand van zaken, is heel precies in hoe ze het allemaal opschrijft. Een andere goede journalist vind ik Chris Klomp. Dat zijn de twee die ik het meest waardeer.” 

Ja, precies. Hoe denkt u over het Nederlandse strafklimaat? 

“Ik denk dat je dan de hoogte van de straffen bedoelt? Wat we zien, is dat Nederland relatief hoog straft en dat het de laatste jaren ook steeds hoger is geworden. Dat is belangrijk om te constateren, omdat er onder sommigen de opvatting leeft dat er in Nederland lage straffen gegeven worden. Dat is absoluut niet het geval. Als je het vergelijkt met andere landen, zijn de straffen in Nederland relatief gezien dus juist heel hoog. 

Daarnaast hebben we een zogenaamd VI-systeem, Voorwaardelijke Invrijheidsstelling, dat veel strenger is dan in andere landen. In België is het bijvoorbeeld zo dat je na de helft van je straf met VI mag. In Nederland mag dat pas na tweederde van je straf en recentelijk is het aangepast, waardoor het nog verder ingeperkt wordt. Bij lange straffen is de VI maximaal twee jaar. Nederland straft dus heel hoog en je kunt je soms afvragen of dat misschien niet eens anders zou moeten. Ik denk dat het belangrijk is dat we voor de eenvoudigere, kleinere vergrijpen afwijken van die hoge straffen en juist meer in de richting van werk- of leerstraffen gaan. Daar hebben mensen veel meer aan. Je kunt mensen lang in de gevangenis zetten, maar daar wordt niemand beter van. Een werk- of leerstraf kan iemand daarentegen nog best wel eens wat helpen. 

Ik denk ook dat we weer terug zouden moeten naar een beter VI-klimaat, aangezien ze het onlangs hebben aangepast waardoor het allemaal strenger is geworden. Ik vind dat je mensen juist de vrijheid moet geven om eerder vrij te kunnen komen, als ze er voldoende voor hebben gedaan en het hebben verdiend. Ik vind ook dat er in de gevangenis meer gedaan moet worden om mensen voor te bereiden op hun terugkeer in de maatschappij. Daar hebben we meer aan, dat voorkomt recidive. 

Een ander belangrijk punt, met betrekking tot ons tbs-systeem: dat kan heel goed functioneren, maar niet op het moment dat je iemand eerst vijftien jaar in de gevangenis laat zitten en dan met tbs

laat beginnen. Dan moet je echt naar een oplossing waarbij iemand veel eerdere in de tbs-kliniek terecht kan komen en aan de slag kan met hetgeen er qua stoornis aan de hand is. Soms is dat voor een slachtoffer wat moeilijker te begrijpen, maar daar moeten we als rechters, advocaten en officieren dan beter ons best voor doen. Om uit te leggen waarom we het op die manier doen. Als je vaststelt dat iemand een stoornis heeft en dat hij daarvoor behandeld moet worden, waarna je er tbs voor oplegt, dan lijkt het mij voornamelijk heel belangrijk dat die stoornis behandeld wordt. Dat is heel moeilijk als je iemand eerst jarenlang in de gevangenis laat zitten.” 

De laatste vraag; heeft u nog een boodschap voor de lezers? 

“Blijf altijd heel kritisch op mensen die zeggen dat het in Nederland allemaal zo soft is, dat we te maken hebben met D66-rechters of dat er veel strengere maatregelen nodig zijn. Dat is echt niet waar. Wees ook heel kritisch op mensen die zeggen dat het Nederlandse rechtssysteem niet onafhankelijk is: dat is het namelijk wel. Wees kritisch op politici die zeggen dat ze een probleem gaan oplossen door een nieuwe wetgeving te maken. Heel vaak wordt daarvoor gekozen, omdat dat makkelijk verkoopt. Je ziet het nu bijvoorbeeld bij het wetsvoorstel van meneer Grapperhaus over seks tegen je wil. Zijn voorstel klinkt allemaal heel mooi, het verkoopt ook heel lekker. Het echte probleem, dat zedenzaken veel te weinig worden opgespoord en heel vaak niet worden doorgezet naar de rechter, wordt daarmee helemaal niet opgelost. Je kunt dan wel een mooie wet maken, maar dat voegt eigenlijk niets toe. Blijf altijd kritisch.”

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Copyright 2020-2021 © actueelnieuws.org

logo

Tip de redactie!

Actueelnieuws.org werkt graag met jou samen aan mooie interviews en prikkelende artikelen. Heb je een tip of idee? Meld deze dan bij onze redactie.