Interview met Robert Vermeiren

Robert Vermeiren

Robert Vermeiren is hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie en hoofd van de subafdeling kinder- en jeugdpsychiatrie LUMC Curium. Daarnaast is hij hoofd onderzoek bij de Parnassia Groep, Youz. Ook is hij lid van het coördinatieteam van de Academische Werkplaats SAMEN, hoofdredacteur van de Psychiater én bestuurslid van de afdeling van de kinder- en jeugdpsychiatrie van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. De afgelopen periode is er met betrekking tot COVID veel aandacht geweest voor de lichamelijke gevolgen en een aanpak daarvan, maar de mentale gevolgen zijn zwaar onderbelicht. Actueel Nieuws sprak met Robert over zijn ervaringen wat betreft de mentale gezondheid van jongeren met betrekking tot de coronamaatregelen, over zijn mening over de aanpak van de overheid en over jeugdpsychiatrie over het algemeen en de veranderingen in de afgelopen jaren.

 

 

“We zien een ontzettende toename van psychische problemen bij jongeren en met name jonge meisjes in hun tienerjaren. Dit viel in de eerste golf, maart, april 2020, nog mee. We zagen wel uit onderzoek dat jongeren algemeen meer angstig en onzeker waren. Maar toen zagen we nog niet een toename van psychische problemen bij jongeren in ons vak. Iedereen had toen last van de maatregelen, thuis moeten werken en daar helemaal van aan het begin te staan.

 

De toename van psychische problemen werd in september/oktober 2020 pas echt zichtbaar. Mensen bekroop toen ook het gevoel van: “Oh jee, hier zitten we veel langer mee”. En jongeren denken op de korte termijn: voor hen is volgend jaar heel ver, volgende maand is al heel ver. Dat was dus erg uitzichtloos voor ze. In die periode zagen we toen geleidelijke toename van eetstoornissen bij jongeren, suïcidale gedachten, wanhoop, enzovoort en toen is het aantal crises bij ons toegenomen en de acute psychiatrische afdeling compleet volgelopen. En die is helaas vol gebleven tot nu. Normaal slagen we er wel in om met de kerst en oud en nieuw met goede plannen de jongeren, ook op de acute psychiatrie, naar huis te laten gaan. Maar in 2020 en 2021 was daar geen sprake van.

 

We zien dat er veel meer problemen zijn, maar ook dat die problemen complexer worden. Een combinatie van depressie, angst, eetproblematiek en sombere gedachten. En we zien ook dat het op jongere leeftijden voorkomt. En dat is iets wat in alle landen gebeurd is.

 

We hebben terecht veel nadruk gelegd op de druk op de IC’s, maar we moeten daarnaast ook kijken naar de druk op de medewerkers in de kinderpsychiatrie, in de jeugdhulp in het algemeen. Daarnaast zagen we ook veel medewerkers met kinderen thuis die last hadden van de gevolgen van COVID en de maatregelen. Onze eigen kinderen moeten thuisblijven.  Dus ligt er niet alleen meer druk op de patiënten, maar ook op de medewerkers en onze eigen thuisomgeving. Dit heeft een ontzettend impact gehad.”

 

Hoe komt het dat die stoornissen ontstaan in deze tijd? Wat is de belangrijkste trigger dat die stoornissen ontstaan in deze tijd?

 

“In de leeftijd van 12 tot 17 jaar is de tijd dat die jongeren de overstap maken van het veilige gezin en de basisschool waar je één leraar hebt, of soms twee, wat duidelijk en vaak kleinschalig is, naar die chaotische buitenwereld. Het is een grote stap naar die meer sociale omgeving. Ze komen op de middelbare school, waar alles enorm verandert. Dat gaat tegelijk, omdat de puberteit ontluikt, gepaard met zoeken naar zichzelf, zoeken naar een identiteit. Wie ben ik? Wat is mijn toekomst? Waar ben ik voor? En dat is niet alleen op het vlak van werk en studie, maar ook op het sociaal vlak: wie worden mijn vrienden, waar hoor ik bij?

Dat geeft onzekerheid. Als een situatie nog onzekerder wordt omdat er geen ruimte is om verder te onderzoeken, bijvoorbeeld door de coronamaatregelen, dan slaat de twijfel toe. Dan lukt het niet om een identiteit te gaan opbouwen. En dan kan zich dat uiten in bepaalde stoornissen. Dit alles wordt versterkt thans door de sociale media, waar de communicatie zich naar verplaatste. Communicatie die veel harder is, niet genuanceerd door direct contact.

 

Bij sommigen kan dit zich uiten in een gedragsstoornis, dat ze bijvoorbeeld heel prikkelbaar en gemeen worden. Anderen kunnen het naar zichzelf richten en depressief worden. We zien bij onze patiënten dat dit doorheen de tijd erg kan wisselen. En het is ook onderhevig aan de omgeving. Soms nemen ze dingen over van wat ze in hun omgeving zien.

 

We moeten ons niet blindstaren op die labels, maar vooral kijken naar wat daaraan onderliggend is. Als ze bij ons komen, kijken we dus ook naar hoe het met die identiteit zit, met die onzekerheid. Met het zoeken van vrienden en de verbinding van thuis. Zo kunnen we een verhaal optekenen dat verklaart hoe ze in die situatie komen en daar moeten we dan op ingrijpen.”

 

Hoe grijpt uw werkomgeving in op dit soort stoornissen?

 

“Wat wij doen, als iemand naar ons komt, is in gesprek gaan. Met de jongere, met de ouders en als nodig met anderen in de omgeving. Vooral om te begrijpen wat er aan de hand is. En dan gaan we die diagnose maken, dat is meer dan bijvoorbeeld enkele een eetstoornis. Een diagnose is het volledige verhaal van die persoon. We kijken naar wat de sterktes zijn, hoe zit het met leren, hoe zit het met de sociale vaardigheden, hoe de hele ontwikkeling verlopen is. En waar de kwetsbaarheden zitten? Daar hebben we meerdere uren voor nodig, soms hebben we daar zelfs meerdere weken voor nodig.

 

Dan gaan we terugkoppelen. Dat is eigenlijk al een eerste stap in het ingrijpen. Iemand zijn verhaal teruggeven en kijken of men dat herkent. Dat doen we zowel met kind / jongere als met de ouder. En vervolgens zijn de vervolgstappen heel afhankelijk van het verhaal. Als iemand erg vermagerd is bijvoorbeeld, dan moeten we zien dat we het gewicht op orde krijgen.

 

Ouders zijn altijd onderdeel van de behandeling. In de behandeling geven we, eens het gewicht op een acceptabel niveau, steeds meer autonomie aan de jongeren en de ouders. We gaan met ze in gesprek over het onderliggende probleem. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat je kunt omgaan met je emoties op een constructieve manier?

Wat en hoe we concreet gaan behandelen, wat de specifieke doelen zijn hangt altijd af van het verhaal van de jongere. We behandelen immers niet louter de eetstoornis maar de aspecten die daartoe aanleiding hebben gegeven en die de onwenselijke situatie in stand houden.”

 

Hoe kijkt u aan tegen de enorme wachtlijsten die er op dit moment in de jeugdzorg en jeugdpsychiatrie zijn? En hoe zouden die volgens u aangepakt kunnen worden?

 

“Ik denk dat de wachtlijsten het gevolg zijn van het beleid van de voorbije jaren op het vlak van jeugdhulp en met name de overgang naar de gemeentes. Het is niet de enige reden, maar we zien dat er een tendens is naar steeds meer behandelen van lichte problematiek. We zijn toch wel gegaan naar een commercialisering van ons vak, waardoor heel veel instellingen aanbieders geworden zijn van lichte problematiek. Dat gaat ten koste van mensen met ernstige problemen. En dat moet anders.

 

We moeten goed kijken naar waar we de grens leggen, want we kunnen niet iedereen helpen. We moeten vooral aandacht gaan besteden aan jongeren die complexe problemen hebben. In die zin moet het systeem veranderen en moeten we voor de complexe groep stoppen met het organiseren van de zorg op de gemeentes. Er moet weer een landelijk beleid komen om dat te veranderen.”

 

Bent u daarover ook in gesprek met beleidsmakers?

 

“Er zijn gesprekken met beleidsmakers, en er zijn ook gesprekken vanuit De Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie daarover. Er is een ‘hervormingsagenda’ ingezet om te kijken naar hoe het in de toekomst moet zijn. Op dit moment loopt dat niet goed. Ik erger mij er enorm aan dat de discussies tussen de gemeentes en ministerie met name gaan over geld. We zouden veel meer moeten insteken op het kijken naar hoe het systemen zouden moeten zijn en dan kunnen we vervolgens kijken naar welk prijskaartje daaraan hangt. Dus wij proberen ons zegje te doen, maar het beleid houdt zich vooral met andere zaken bezig.”

Ziet u ook manieren waarop er kosten bespaard kunnen worden aan de jeugdzorg op dit moment, zodat dat in belangrijke zaken kan worden geïnvesteerd?

 

“Zeker. Dat is ook een reden dat ik denk dat we meer bovenregionaal of landelijk moeten organiseren. Zorg is nu zo versnipperd: elke gemeente is opnieuw het wiel aan het uitvinden en instellingen hebben met al die verschillende gemeenten allemaal verschillende administraties. Dat kost handenvol geld. Dat is pure verspilling. Het is een realistische inschatting dat van de anderhalf miljard die de jeugdhulp meer kost sinds 2015, maar liefst 2/3 niet naar gezinnen gaat, maar naar administratie. Een miljard dus! Dat mogen we niet aanvaarden. Daar kan makkelijk bespaard worden en ik denk ook dat de kwaliteit ermee gebaat zal zijn.

 

Die versnippering heeft als secundair effect dat al die professionals niet meer weten wat en hoe, dat ze zich eigenlijk continu zich meer moeten richten naar de verschillende administraties van gemeentes in plaats van zich te kunnen richten op wat een gezin nodig heeft. Dat gaat ten koste van hun liefde en enthousiasme voor het vak. En als één ding belangrijk is om gezinnen kunnen te helpen, is dat enthousiasme en gemotiveerd zijn om met dat gezin ervoor te gaan.”

 

Hoe kijkt u aan tegen voorlichting op het gebied van psychische klachten?

 

“We zien dat de stijging van psychische problemen, met namelijk tienermeisjes, eigenlijk begonnen is voor 2010. Ik heb een aantal onderzoeken gevonden uit verschillende landen en het gaat niet over kleine percentages: het gaat vaak over tussen de 30 en 40% toename van die problemen. Dus dan stel je jezelf de vraag: wat gebeurt er in deze maatschappij dat dit verandert? Want het is niet omdat de mens veranderd is. Onze genen en onze hersenstructuur zijn niet veranderd.

 

Dan kunnen we natuurlijk een aantal dingen op een rijtje zetten. Eén: iets belangrijks dat begonnen is voor 2010, is de introductie van de smartphones. En eigenlijk het feit dat iedereen wereldwijd elkaar continu kan bereiken via de sociale media, wat een ontzettende impact heeft. Het heeft veel voordelen, maar ook nadelen: de communicatie wordt veel harder, ongefilterd, en zeker bij jongeren is dat een punt. Je hebt daarbij ook een heel leger aan influencers: mensen die een fantastische wereld laten zien, waar jongeren zich aan gaan spiegelen. En dat in een periode waarin zij op zoek zijn naar hun identiteit. De sociale mediawereld is geen reële wereld. We zien vaak berichten die zij toch opslokken, of waar zij over gaan twijfelen. Het doet iets met mensen. Een deel van die toename komt dus doordat de maatschappij zo veranderd is.

 

Een andere reden is natuurlijk dat wij bij uitstek in een wereld zitten die ontzettend individualistisch geworden is. Iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen geluk, terwijl we vroeger veel meer zaten ingebed in een sociale omgeving. En nu zitten we bijna in het tegenovergestelde: waarbij een jongere op zoek moet naar zichzelf, krijgt deze ook nog de boodschap: je bent verantwoordelijk voor je eigen geluk. Dat levert natuurlijk stress op. De jongeren die wat meer kwetsbaar en onzeker zijn, hebben daar last van. Dat individualisme legt dan een te grote druk.

 

Dus als je het hebt over voorlichting: ik denk niet dat voorlichting voldoende is. We zitten in een wereld waar een aantal nieuwe prikkels zijn gekomen, waarmee we moeten leren omgaan. En ik zeg niet dat de smartphones weer de wereld uit moeten. Maar we moeten ons als maatschappij gaan beraden om te kijken hoe ver we daarin gaan. We moeten onze maatschappij zo maken, dat jongeren zich welkom voelen, geborgen voelen. En daar moet voorlichting dan bij komen, maar dat is niet het enige. Voorlichting gaat dit niet oplossen.”

 

Wat zou de aanpak van de overheid moeten zijn tegen deze ontwikkelingen?

 

“Ik denk dat wij deze boodschap aan de overheid moeten geven, zodat ze zich bewust zijn van wat er nu gebeurt. Als je kijkt naar wat ze hebben gedaan met de studielening en dat ze dit nu willen terugdraaien, dan vind ik dat in dit licht een goede aanpassing. Want met dit leenstelsel geef je aan de student de boodschap: jij bent verantwoordelijk voor je eigen traject. Terwijl ik vind dat we moeten naar een systeem waarbij we zeggen: we vinden jou belangrijk en we willen graag dat je studeert. We hebben er als maatschappij geld voor over om te zorgen dat jij studeert. Daar moeten natuurlijk regels aan vast zitten om ervoor te zorgen dat je niet eeuwig kunt studeren, maar zo’n stelsel is een goede tendens. En dat zijn van die dingen die wij moeten zeggen: pas je beleid daarop aan.

 

Sociale media vind ik een lastigere, maar dat is toch belangrijk, omdat we bepaalde wetgevingen moeten maken. Langs de ene kant moeten we de vrijheid van meningsuiting garanderen, langs de andere kant moeten we aan bedrijven als Facebook en TikTok grenzen stellen. Wat kunnen we doen aan die algoritmes, waardoor jongeren die iets opzoeken steeds naar extremere boodschappen en filmpjes gaan? Dat vind ik dramatisch en daar moeten we iets mee, vanuit het perspectief: wij willen jongeren beschermen. Dat is ook onze taak, onze opdracht.”

 

Hoever mag de overheid volgens u gaan in dat beschermen van jongeren? In hoeverre mag de overheid zich daarmee bemoeien?

 

“Ik vind dat niet iets wat ik als kinderpsychiater kan beantwoorden, daar hebben we ook ethici en juristen bij nodig. We hebben een grondwet en die vrijheid garandeert, dat moet blijven. Langs de andere kant hebben we de opdracht om kinderen te beschermen. Dat is een moeilijke balans, zoals het nu is, vind ik het niet goed. Als je ziet dat over 10 jaar tijd het aantal jongeren dat suïcideplannen maakt met 40% toeneemt, onder andere omdat ze aan prikkels worden blootgesteld, dan moeten we daar iets mee.”

 

Denkt u dat er sprake is van een tweedeling onder jongeren in hoe ze omgaan met coronamaatregelen? En hoe kijkt u aan tegen die mogelijke tweedeling?

 

“Ik hoop het niet, wat we zien is een maatschappij die enorm wordt beïnvloed door sociale media, die neigt naar polarisatie. Dat vind ik niet goed. Ik denk dat als het gaat over voorlichting, dat dit een expliciet onderdeel zou moeten zijn van het onderwijs. Niet in de zin van het traditionele onderwijs, maar vooral dat we binnen het onderwijs jongeren met elkaar in gesprek moeten laten gaan. Jongeren die wel en niet gevaccineerd zijn. Hen stimuleren om een open debatcultuur te hebben en een eigen idee te hebben, maar ook te luisteren naar een ander en te accepteren wat de ander denkt.

 

Dat is iets wat we in de hele maatschappij zouden moeten doen. De Tweede Kamer zou daar ook mee mogen beginnen: luisteren naar elkaar. Daarmee zouden ze ook een goed voorbeeld zijn voor de jongeren. Politici geven een fout voorbeeld, ze zouden zich moeten realiseren dat jongeren zich daaraan spiegelen, als de norm gaan zien. Als volwassenen zich als hufters gedragen, dan valt te verwachten dat jongeren dat overnemen. Hetzelfde geldt in het verkeer, we zouden wat minder mogen schelden. We moeten ons bedenken dat ook daar kinderen meeluisteren, observeren hoe de grote mensen het doen. En dat overnemen.

 

Jongeren worden in de polarisatie meegesleurd en dat mogen we niet laten gebeuren. Daar ligt een belangrijke taak, ook voor het ministerie en het onderwijs.”

 

Welke redenen hebt u om zich uit te spreken over de sluiting van scholen?

 

“Ik heb ook familie die behoort tot de kwetsbare groep en natuurlijk moeten we ons best doen om ervoor te zorgen dat er zo min mogelijk mensen in het ziekenhuis raken. Tegelijkertijd moeten we rekening houden met de jongeren. Ik vind dat er voornamelijk veel te weinig voorzienend rekening is gehouden met de jongeren. Ik vind dat de overheid al veel eerder had moeten kijken hoe we ervoor konden zorgen dat de scholen open kunnen blijven, met maatregelen. In plaats van de vooral geld te stoppen in het stimuleren van de cognitieve leerontwikkeling van jongeren, de achterstand op dat vlak, hadden ze veel meer bezig moeten zijn met hoe ervoor kunnen zorgen dat jongeren sociaal bij elkaar kunnen blijven. We zien nu dat er een dramatische situatie dreigt, doordat jongeren lange tijd niet op school kunnen zijn.

 

Jongeren die in 2019 naar de universiteit gingen bijvoorbeeld, hebben daar een halfjaar gezeten en daarna anderhalf jaar thuis. Dit terwijl de overstap naar de Universiteit of Hogeschool een cruciale ontwikkeling is, omdat je dan veel nieuwe mensen tegenkomt. Daar leer je veel op sociaal vlak. Dat hebben zij niet gedaan, dus ze missen gewoon een stuk van de ontwikkeling. Als dit nog langer duurt, dan zouden we een generatie laten opgroeien die sociaal veel te weinig heeft meegekregen. Hetzelfde geldt voor middelbare scholieren.

 

Dan vraag ik me af: gaan we nu alleen kijken naar ouderen en naar ziekenhuizen die vol liggen, of gaan we ook kijken naar de toekomst van onze maatschappij? De gezondheid van jongeren zal decennialang zijn weerslag nog hebben. De scholen worden nu afwisselend geopend en gesloten, alleen maar met de lichamelijke gevolgen van COVID in gedachten.”

 

Had u liever een andere samenstelling voor het OMT gezien, en zou u misschien ook graag een bijdrage leveren aan het OMT?

 

“Ik denk inderdaad dat psychologen, sociologen, et cetera een heel goede aanvulling zouden zijn bij het OMT. Misschien niet in de acute beginfase, maar wel in deze langdurige fase. Ik denk ook in de toekomst, als er plannen worden gemaakt met betrekking tot het omgaan met voortzettende of nieuwe pandemieën, dat we dit aspect in belangrijke mate moeten meewegen. Dus niet alleen kijken naar alles wat lichamelijk gebeurt, maar laten we de psyché absoluut meenemen. Anders nemen we misschien wel goede beslissingen voor de korte termijn, het indijken van de pandemie, maar zitten we met de kosten op de lange termijn. En dat bedoel ik niet alleen in euro’s, maar ook in de zin van maatschappelijk welzijn.”

 

U was vorig jaar te gast in Zomergasten. Hoe kijkt u terug op uw deelname en de reacties?

 

“Ik vond het erg spannend om daar te zitten, maar heel goed. Ik heb veel mooie reacties gekregen, en vooral wegens het feit dat ik de jongeren centraal stelde en iedereen verrijkte met mijn verhaal. Dat ik een andere kijk gaf op de jeugdpsychiatrie. Het belang van de omgeving, de maatschappij en het beleid. Dat is iets wat velen ontzettend gewaardeerd hebben. Ik heb van daaruit ook veel verhalen gekregen, waar ik erg dankbaar voor was. Wat ik vertelde was misschien niet brand new; er zijn ook anderen die in mijn vak pleiten voor verandering. Maar ik was heel blij dat ik daar mijn steentje aan heb kunnen bijdragen, voor een heel groot publiek.”

 

Heeft u nog een boodschap aan de lezers van dit interview?

 

Laten we allen een voorbeeld zijn voor de kinderen en jongeren van dit land. Iedereen kan daaraan bijdragen. We moeten ons bedenken dat we zelf vaak doen wat we liever niet zien bij jongeren. Dat geldt, voor alles, gedragingen, uitspraken, wat we doen en eten. En zeker hoe we met elkaar omgaan. In het verlengde hiervan hoop ik dat we samen een maatschappij kunnen bouwen waar verbondenheid met elkaar voorop staat. Autonomie is uiteraard cruciaal, maar laat dat niet overheersen. En om verbondenheid te voelen, moeten we durven ons kwetsbaar op te stellen. Ook daarin moeten wij volwassenen het voorbeeld geven. Als we dat nastreven, dan zullen we een belangrijke bijdrage leveren aan de geestelijke gezondheid van de burgers, de toekomstige generatie en het land. Ik ben me er bewust van dat dit niet gemakkelijk is, dat het een continue inspanning vergt.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Copyright 2020-2021 © actueelnieuws.org

logo

Tip de redactie!

Actueelnieuws.org werkt graag met jou samen aan mooie interviews en prikkelende artikelen. Heb je een tip of idee? Meld deze dan bij onze redactie.